skip to Main Content

Het maatschappelijk debat over zelfmoord of suïcide en het zelfgekozen levenseinde houdt veel mensen bezig. Achter elk van die woorden zit een heel verhaal. Bij suïcide wordt vooral gedacht aan kwetsbare jongeren en preventie. Mensen die over het zelfgekozen levenseinde spreken, zijn vaak ouder en verwijzen naar de regie over het sterven. Het zijn twee werelden. Hoe kan aan beide recht worden gedaan?

Door Bert van Herk

Preventie moet. Maar helpt het?

De wereld van suïcide en preventie is vooral die van 113 Zelfmoordpreventie. De overheid investeert veel om het aantal suïcides omlaag te brengen. Om goede redenen. Er zijn te veel jongeren die hun leven beëindigen omdat ze zwaar depressief zijn en worden gepest, geslagen of seksueel misbruikt. Huisartsen en 113 vangen veel mensen op en doen daar heel goed werk mee. De stap naar de geestelijke gezondheidszorg gaat daarentegen vaak niet goed. De wachttijden in de GGZ zijn berucht. Diagnoses blijken vaak niet te kloppen. Na jaren van bezuinigingen is het er niet beter op geworden.

Het CBS publiceerde onlangs een rapport over zelfdoding van 1950 tot nu. Er zijn pieken (1970-2000) en enkele kleinere dalen, maar gemiddeld blijft over de afgelopen zeventig jaar het aantal zelfdodingen 10,5 per 100,000 inwoners. 113 Online, de oorspronkelijk naam van 113 Zelfmoordpreventie, is gestart in 2010. Tot 2017 is het aantal zelfdodingen gestegen, daarna weer iets gedaald naar het gemiddelde cijfer. Tot nu toe heeft 113 het tij dus niet kunnen keren.

Anders dan vaak gedacht wordt, is het aantal zelfdodingen van mensen van 40 jaar en ouder vijf maal groter dan dat van jongeren tussen 15 en 25 jaar. Verder valt op dat het aantal zelfdodingen van mannen tweemaal zo hoog is als dat van vrouwen. De grootste getallen zien we in de groep mannen van 40 jaar en ouder. Als zij hun levenspartner zijn verloren, is de ellende nog veel groter. Over de oorzaken van zelfdoding wordt gespeculeerd. Nog steeds zijn er psychiaters die beweren dat iemand die zijn leven beëindigt per definitie een psychiatrisch geval is. Maar het CBS kan alleen concluderen “De beslissing tot zelfdoding is zelden te wijten aan één duidelijke oorzaak. Ieder individu heeft zijn of haar eigen specifieke persoonlijke situatie, zowel in de context van de persoon zelf als van de sociale omgeving, plaats en tijd.”

In 2018 overleed de 19-jarige Ximena Knol na inname van een zelfgekocht chemisch middel. Haar ouders eisten een verbod op dit middel. Vanuit hun perspectief een begrijpelijke reactie. Die van minister De Jonge van VWS (Volksgezondheid, Welzijn, Sport) is dat niet. Uit een WOB-besluit 2019 (kenmerk 114.1665755-203489-WJZ, onderdeel 13.1) dat in april 2020 openbaar werd, bleek dat de minister alles in het werk wilde stellen om iedere zelfdoding te voorkomen. Niet alleen voor kwetsbare mensen, maar voor iedereen. Alle middelen waarmee iemand zijn leven kan beëindigen, moesten verboden worden.

Uit het WOB-besluit 2019 (kenmerk 114.1665755-203489-WJZ, onderdeel 45) bleek ook dat minister De Jonge overwoog om de Coöperatie Laatste Wil te laten ontbinden. De minister beschouwt het uitoefenen van het recht op zelfbeschikking een ontwrichting van de democratische rechtstaat. Dat zijn grote woorden.

Schnabel en Van Wijngaarden houden het graag klein

In 2014 stelde de regering een Commissie van Wijzen aan om meer informatie in te winnen over euthanasie, zelfbeschikking en voltooid leven. Voorzitter van de commissie was prof. dr. Paul Schnabel. De commissie moest adviseren over deze vier punten:

  • de huidige maatschappelijke context en de maatschappelijke impact van mogelijke conclusies die uit het onderzoek voortvloeien;
  • onderzoek naar de juridische mogelijkheden en beperkingen van hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten;
  • indicatie van de voor- en nadelen van deze juridische mogelijkheden;
  • onderzoek naar mogelijkheden om te voorkomen dat mensen hun leven voltooid achten.

Na raadpleging van een langlopende studie naar veroudering in Nederland (Lasa, 2006), een peiling onder huisartsen (2011) en het overschrijven van het jaarverslag van de Levenseindekliniek over mensen die zonder een medische aandoening een beroep op de kliniek deden, waren de wijzen snel klaar. In haar advies (2016) schreef de commissie: “De groep ‘voltooid leven’ met een actieve doodswens is waarschijnlijk klein. Uit onderzoek naar mensen die hun leven ‘voltooid’ achten en om die reden een actieve doodswens hebben, blijkt onder meer dat weliswaar niet duidelijk is wat de omvang is van deze groep, maar dat hun aantal waarschijnlijk klein is, zeker als het gaat om mensen bij wie de wens tot levensbeëindiging niet gerelateerd is aan medische problematiek.” (Advies Voltooid Leven, 2016, pag. 13)

‘Waarschijnlijk’, schreef de commissie. Waarom? De commissie lichtte het niet toe. De commissie dacht alleen maar dat het aantal ‘klein’ was.

Verder was de commissie trots over de euthanasiewet oftewel de Wet toetsing levensbeëindiging (Wtl). “Er is sprake van een zorgvuldige praktijk en onder artsen bestaat een groot draagvlak voor de Wtl.” Na vijftien jaar was de Wtl nog als nieuw. Niets aan doen dus, adviseerde de commissie. Vragen van mensen met een voltooid leven kunnen volgens haar grotendeels opgelost worden binnen de Wtl als er sprake is van een medische aandoening met ondraaglijk en uitzichtloos lijden of van een opeenstapeling van ouderdomsklachten. De groep mensen die buiten de Wtl valt, is maar klein, eigenlijk verwaarloosbaar, aldus de commissie. 
De commissie meende dat alle juridische vragen waren beantwoord (punten 2 en 3 van de opdracht). En aangezien er (bijna) geen mensen zijn met een voltooid leven zonder een medische aandoening (punt 4), was een onderzoek hoe te voorkomen dat mensen hun leven voltooid achten ook niet meer aan de orde.

Maar het eerste punt van de opdracht – de maatschappelijke context – kwam er bekaaid van af.

De commissie Schnabel schreef dat “een substantiële minderheid van het Nederlandse publiek voorstander is van de mogelijkheid dat ouderen die dat wensen hun leven kunnen beëindigen en dat zij in staat zouden moeten worden gesteld om middelen te verkrijgen waarmee zij een einde aan hun leven zouden kunnen maken.” (Voltooid Leven, 2016, pag. 11). Dat is kletskoek. Uit een peiling van Maurice de Hond (2010) was al eerder gebleken dat een meerderheid van 56 procent voor een wettelijke regeling is volgens welke bij ‘voltooid leven’ een arts mag helpen bij zelfdoding. En in 2013 was de uitkomst van een peiling onder 28.000 mensen door EenVandaag dat “zes op de tien mensen (62%) vinden dat hulp bij zelfdoding mag worden verleend als iemand levensmoe is” en dat een meerderheid (56%) voorstander is een zogenaamde ‘pil van Drion’. Wat de burger vond, deed voor de commissie niet ter zake. De commissie had het ook niet over de burger, maar over ‘het Nederlands publiek’. Alsof burgers toeschouwers zijn in plaats van betrokkenen in een maatschappelijk debat waar grote persoonlijke belangen aan de orde zijn.

Ook het Perspectief Onderzoek onder leiding van Dr. Els van Wijngaarden (2019) wilde het graag ‘klein’ houden. De onderzoekers begonnen met een steekproef van 21.294 personen van 55 jaar en ouder. Van die groep waren 411 personen die zich herkenden in ‘Ik ervaar geen toekomstperspectief, ik verlang ernaar om dood te zijn, en ik ben niet ernstig ziek’. Na een filtering bleven 267 mensen over met ‘een persisterende doodswens’. Na een volgende filtering waren er nog 155 met een “actieve, persisterende doodswens”. En uiteindelijk bleven er 36 mensen met een wens tot levensbeëindiging. Dat aantal lijkt klein, maar omgezet naar de hele Nederlandse bevolking zijn dat er 10.000.

Politiek: zoek een balans!

Schnabel en Van Wijngaarden doen hun uiterste best om het aantal mensen dat buiten de regels van de euthanasiewet hun leven wil beëindigen zo klein mogelijk te houden. Hoe kleiner deze groep, des te gemakkelijker het is om haar te negeren. Zo wordt geprobeerd om het zelfbeschikkingsrecht van mensen onder de mat te vegen.

Jaarlijks laten 7.000 mensen euthanasie uitvoeren door een arts nadat is vastgesteld dat zij een medische aandoening hebben en ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Zij worden met compassie begeleid naar het einde.

Maar hoe zit het dan met de 10.000 mensen die blijkens het Perspectief Onderzoek geen medische aandoening hebben maar wel een duidelijke doodswens. Waar is de compassie voor hen? Waarom worden zij in een hoek gezet als ‘veranderlijk’? Waarom wordt bij iedere doodswens een depressie gezien die niet wordt erkend? Waarom worden zij om de oren worden geslagen met dooddoeners als “het leven bestaat nu eenmaal uit pieken en dalen”? Velen van hen vinden dat zij ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Zij zijn aangewezen op gruwelijke vormen van zelfdoding (1.800 per jaar) of pogingen die geen resultaat hebben maar wel veel schade berokkenen (98.000 pogingen per jaar).

Sinds 2013 is het zelfbeschikkingsrecht in Europa algemeen aanvaard. De zaak Gross (Zwitserland) was een belangrijk kantelpunt. Mevrouw Gross was een oudere vrouw die, zonder te lijden aan klemmende medische problemen, al jarenlang haar leven wenste te beëindigen. Zij benaderde een psychiater die in een deskundigenbericht oordeelde dat haar wens gerechtvaardigd, rationeel en weloverwogen was. De psychiater schreef evenwel geen recept uit voor zelfdodingsmiddelen omdat hij de rol van deskundige niet wenste te verenigen met de rol van behandelend arts. Andere artsen hebben vervolgens om hen moverende redenen ook geweigerd. Gross vorderde de Gezondheidsraad van Zürich haar desalniettemin middelen te verstrekken, wat haar werd geweigerd. Appel daartegen bleef vruchteloos. Uiteindelijk oordeelde het Europese Hof dat het zelfverkozen levenseinde wordt beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens omdat het recht op zelfbeschikking niet is beperkt tot (terminaal) zieken maar ook geldt voor mensen met bijvoorbeeld een voltooid leven. Naast de genoemde 10.000 mensen die hun leven willen beëindigen, zijn er nog veel meer mensen die zekerheid willen dat zij op ieder moment – dikwijls in de verre toekomst – de regie over hun eigen sterven in de hand kunnen hebben. Zij willen in overleg met hun naasten, eventueel met ondersteuning van hun huisarts, zelf kunnen beslissen wanneer en hoe zij uit het leven stappen. Om die reden willen heel veel mensen beschikken over een laatstewilmiddel. Uit recente peilingen (Motivaction, 2021) blijkt dat meer dan vier miljoen mensen een dergelijk middel in huis willen hebben. Toen het Openbaar Ministerie Alex S. uit Eindhoven arresteerde, was sprake van verstrekking van een laatstewilmiddel aan honderden mensen van wie er zes aan dat middel waren overleden. Ook dat tekent wel zo’n beetje de verhouding tussen de wens tot regie over een later te bepalen levenseinde en de wens van een veel kleinere – maar niet te verwaarlozen – groep die klaar is met het leven.

Uit de statistieken van het CBS blijkt dat jaarlijks zestig jongeren hun leven beëindigen. Deze kwetsbare en jonge mensen verdienen meer aandacht, zorg of bescherming. Mits zij dat ook zelf willen. Maar het zelfbeschikkingsrecht van burgers is niet minder belangrijk. Het is onacceptabel dat de Staat een afspraak maakt met chemische bedrijven om te voorkomen dat personen legale laatstewilmiddelen aanschaffen. En het is onacceptabel dat een verbod op hulp bij zelfdoding in stand blijft waardoor naasten worden gecriminaliseerd. De Staat moet kwetsbaren beschermen. Maar de Staat behoort niet te interveniëren in het zelfbeschikkingsrecht van andere burgers.

In de afgelopen tien jaar heeft de Nederlandse overheid ervoor gekozen om de verzorgingsstaat te vervangen door een participatiesamenleving. Daar was en is nogal veel om te doen. Aan de liberale en rechterkant wordt gevraagd dat de burger meer vrijheid heeft en eigen kansen schept. Aan de linker- en christelijke kant van het politieke spectrum wordt meer aandacht gevraagd voor solidariteit en verantwoordelijkheid voor kwetsbaren in de samenleving. Het zijn belangen van groepen die soms conflicteren, maar ook kunnen samengaan. Het is aan de politiek om een goede balans te vinden op veel gebieden, zeker waar het gaat om preventie en zelfbeschikking van leven en dood.

 

 

Back To Top