Skip to content
Word lid

Op maandag 10 oktober was bij de rechtbank Den Haag de zitting in het proces van Coöperatie Laatste Wil (CLW) en een aantal belanghebbenden tegen de Staat der Nederlanden. Op het spel stond de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht. Volgens CLW en de andere eisers is die strafbaarstelling in strijd met het zelfbeschikkingsrecht dat door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt beschermd.

In 2011 besliste het Europees Hof in Straatsburg dat ieder mens het recht heeft om zelf te bepalen op welk moment en op welke wijze hij of zij wil sterven. In Duitsland en Oostenrijk trokken rechters uit het zelfbeschikkingsrecht de conclusie dat de onbeperkte strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding in strijd is met het recht van mensen om over hun eigen levenseinde te beschikken en daarbij hulp van anderen te vragen. CLW en de belanghebbenden eisen nu dat de Nederlandse rechter dezelfde uitspraak doet.

In Nederland is euthanasie en hulp bij zelfdoding voor artsen gelegaliseerd in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (WTL). Die wet is echter een typische artsenwet: alleen artsen kunnen euthanasie en hulp bij zelfdoding verlenen en uiteindelijk beslist de arts en niet de patiënt over de levensbeëindiging. Bij de totstandkoming van de WTL in 2002 wees de Nederlandse wetgever het zelfbeschikkingsrecht nadrukkelijk af als enige grondslag voor euthanasie en hulp bij zelfdoding.

Dat had de Nederlandse Hoge Raad al eerder gedaan: het medische perspectief van de arts is de grondslag van euthanasie en hulp bij zelfdoding en niet het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt. Er moet naar het oordeel van de arts sprake zijn van ondraaglijk en uitzichtloos lijden en dat lijden moet worden veroorzaakt door een ziekte. De wetgever heeft die redenering van de Hoge Raad in 2002 overgenomen. Je moet onbehandelbaar ziek zijn en ondraaglijk lijden om in Nederland euthanasie of hulp bij zelfdoding te kunnen krijgen van een arts.

De medische voorwaarden voor euthanasie en hulp bij zelfdoding in Nederland staan op gespannen voet met het recht van mensen om zelf te bepalen wanneer en op welke wijze hun leven moet worden beëindigd. Veel mensen beschouwen zichzelf niet als een patiënt met een ziekte op het moment dat zij hun leven willen beëindigen, maar als een persoon met rechten. Voor deze mensen is levensbeëindiging geen medische beslissing over een ziekte, maar een existentiële keuze over de zin van hun leven. Volgens het Europees Hof hebben zij ook het fundamentele recht om daarover zelf te beslissen.

Uitgangspunt van de Hoge Raad en de Nederlandse wetgever was in 2002 dat het zelfbeschikkingsrecht ‘maatschappelijk nog niet zo algemeen is aanvaard’ dat op grond daarvan euthanasie of hulp bij zelfdoding kan worden verleend. Dat uitgangspunt is inmiddels achterhaald door de uitspraak van het Europees Hof uit 2011 en door de huidige opvattingen in Nederland. De meeste Nederlanders vinden dat zij zelf over hun eigen levenseinde moeten kunnen beslissen. Dat betekent dat de WTL een te beperkte grondslag heeft. Niet het medische perspectief van artsen moet bepalen of mensen euthanasie of hulp bij zelfdoding kunnen krijgen, maar het zelfbeschikkingsrecht van mensen.

De Nederlandse rechter kan niet voorschrijven hoe de wetgever het zelfbeschikkingsrecht van mensen precies in de wet moet regelen. De rechter kan echter wel aangeven dat de huidige wet te weinig rekening houdt met het zelfbeschikkingsrecht, zoals Duitse en Oostenrijkse rechters dat al eerder hebben beslist over de wetgeving in hun landen. Dat betekent dat ook de Nederlandse strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding te ruim is geformuleerd. Die strafbaarstelling kan worden beperkt tot gevallen waarin mensen niet in staat zijn om over hun eigen levenseinde te beslissen. Wanneer zelfdoding een daad van zelfbeschikking is van een persoon die daartoe vrijwillig en weloverwogen heeft besloten, is de hulp daarbij niet strafwaardig. Dat zou net als in Duitsland en Oostenrijk ook het uitgangspunt moeten zijn van de Nederlandse wetgeving.

Op de zitting van 10 oktober voerden de advocaten van de Staat der Nederlanden voor de rechtbank het verweer dat de Nederlandse wetgever bij de strafbaarstelling van hulp bij zelfdoding en bij de regeling van de WTL al een zorgvuldige afweging heeft gemaakt. Die strafbaarstelling stamt echter uit de 19de eeuw en de WTL is ook alweer 20 jaar oud. Wat de Nederlandse wetgever nog steeds niet heeft gedaan, is een afweging maken op grond van het zelfbeschikkingsrecht zoals dat door het Europees hof is erkend en de huidige opvattingen daarover in de Nederlandse samenleving.

De advocaten van de Staat gingen ook niet in op het verschil tussen een medische beoordeling door een arts en een existentiële keuze van een mens. En dat is de crux van de zaak: staat de overheid alleen een uitzondering op de strafbaarstelling toe op medische gronden of ook op grond van het zelfbeschikkingsrecht van mensen die tot zelfdoding besluiten? Wanneer dat besluit vrijwillig en weloverwogen is genomen, valt dat besluit onder het zelfbeschikkingsrecht. Dat roept de vraag op waarom hulp daarbij strafbaar zou moeten zijn en op die vraag gaven de advocaten van de Staat geen overtuigend antwoord. Hopelijk doet de rechtbank dat wel: voor die strafbaarheid bestaat geen rechtvaardiging.

 

Klaas Rozemond, universitair hoofddocent strafrecht Vrije Universiteit Amsterdam en auteur van het boek Het zelfgekozen levenseinde, ISVW Uitgevers 2021

Back To Top