skip to Main Content

Cisca Dresselhuys, journaliste en voormalig hoofdredactrice van het feministische maandblad Opzij, noemt zich in haar boek Drukker dan ooit een werkende 65-plusser. Misschien daardoor heeft ze zich ondanks haar 77 jaar nog niet beziggehouden met een zelfgeregisseerd levenseinde. Ze vroeg zich dan ook af hoe interessant haar verhaal zou zijn voor de lezers van deze nieuwsbrief. Maar willen we niet allemaal weten wat een strijdbare activiste vindt van een vereniging als de onze?

  • De interviewer is Bertie Fokkelman
  • De foto is gemaakt door Stefan Heijendael

Bent u nog steeds drukker dan ooit?

‘Nou, drukker dan ooit, is een beetje overdreven. Ik heb na mijn pensioen altijd doorgewerkt en dat doe ik nog steeds. Op dit moment schrijf ik columns, artikelen en interviews voor Trouw, Nouveau, voor Argus – dat is een tweewekelijks opinieblad van gepensioneerde journalisten – en voor een medische site van een vriend. In coronatijd heeft dat even stilgelegen, maar columns kun je altijd schrijven. Met de interviews ben ik pas sinds kort weer begonnen. Ik heb er twee per telefoon gehad en deze week heb ik de eerste van aangezicht tot aangezicht met Annechien Steenhuizen, de presentatrice van het achtuurjournaal.’

U schreef dat uw levenseinde een ver-van-uw-bedshow is, maar heeft u daar in deze pandemie toch niet wat meer over nagedacht?

‘Nee eigenlijk niet. En dat is gek want ik bereid mijn interviews altijd heel goed voor, als ik ergens moet optreden, denk ik ‘Is het allemaal oké, is de tekst goed en zit mijn haar goed?’ Ik ben dus zeker niet iemand die de dingen eropaan laat komen. En dat is met mijn levenseinde wel het geval. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat het geen prettig onderwerp is. Laten we daar maar heel eerlijk over zijn. Als ik ergens een prijs van een ton mocht gaan incasseren, reken maar, dat ik mij tijdig zou voorbereiden. Dat die zorg om het levenseinde geheel niet aan mij kleeft, is niet omdat ik een jolige ziel ben. Integendeel, ik ben nogal een tobber. In mijn jonge jaren ben ik een jaar uit mijn werk geweest, omdat ik overspannen was. Dus je kunt niet zeggen: ‘Dat is iemand die gaat fluitend door het leven’. Toch wordt er natuurlijk om mij heen gestorven en ben ik regelmatig aanwezig op begrafenissen. In mijn interviews vraag ik andere mensen vaak naar hun ideeën omtrent het levenseinde. Dat doe ik vast en zeker om te horen hoe zij daarover denken.’

Hebt u wel sympathie voor Coöperatie Laatste Wil?

‘Ja natuurlijk! Ik heb een man die lid is van de NVVE (Nederlandse Vereniging voor Vrijwillig Levenseinde) en die een donorverklaring heeft. Hij had ook een penning voor niet-reanimeren maar die is hij godzijdank kwijtgeraakt, want als hij hier op de keukenvloer neervalt, zou ik toch wel heel graag zien dat iemand hem reanimeert. Mijn man heeft daar meer stappen in gezet dan ik. Maar ik vind het ook een uitstekende vereniging en ik zou, denk ik, voorop lopen als ze bedreigd zou worden met opheffing of met wat dan ook’.

Zou u in het bezit willen zijn van een laatstewilmiddel?

‘Ja, dat denk ik wel, als je echt niet meer wilt, als je echt niet meer verder kunt leven, ja dan moet je de vrijheid hebben om er een eind aan te maken. Daarbij heb je hulp nodig, maar dat moet niet in de verboden sfeer. Dit is waarschijnlijk het meest vreselijke, maar tevens het meest liefdevolle wat je voor iemand kunt doen, dus is het heel belangrijk dat dit straffeloos kan. Verder is het ook zo dat je rust kunt ondervinden van het feit dat je een middel in huis hebt. Dat wil niet zeggen dat je dat morgen gaat gebruiken. In de tijd dat ik overspannen was gebruikte ik valium. Ik weet nog dat ik jaren daarna altijd valium in mijn tas had, terwijl ik het nooit meer gebruikte. Het idee dat je iets had voor als je weer een angstaanval zou krijgen, gaf een prettig gevoel. Dit zijn geruststellende dingen, die je jezelf moet gunnen.’

Is de strijd van de CLW te vergelijken met die van de Dolle Mina’s waar u zich vroeger sterk voor maakte?

‘Misschien wel, al wordt de strijd bij de Laatste Wil stiller gevoerd dan destijds bij de Dolle Mina’s. Die gingen met hun blote buik een vergadering van gynaecologen binnen om het recht op abortus te eisen. Ik zie u niet demonstreren bij een begrafenis om te roepen: ‘Waarom is deze persoon nu pas dood?. Die had tien jaar eerder moeten sterven.’ U voert een veel beschaafdere strijd, terwijl het toch gaat om een zeer essentiële zaak van leven en dood. Dat is zo ongeveer het belangrijkste waarover je het kunt hebben. Maar de strijd van de Dolle Mina’s was veel feller en veel meer in het openbaar dan wat u doet’.

Wat zou de CLW kunnen doen om haar doel te realiseren?

‘Toevallig schrijf ik net voor Argus een artikel over de vraag wat de zwarten kunnen leren van onze vrouwenstrijd. Wij hadden destijds een zeer ingewikkelde kwestie bij de kop gepakt, het ging er namelijk om mannen te bewegen de helft van al hun aanzien, werk en andere belangrijke levenszaken met ons te delen. Dus hoe doe je dat? Dat doe je niet alleen via een denktank, dat moet gepaard gaan met acties van mensen die bereid zijn de straat op te gaan om met spandoeken, trommelend en fluitend, de aandacht op zich te vestigen. Elke strijd begint met demonstraties en met acties. Wij hadden duizend-en-een groepjes, zodat er altijd wel ergens mensen te ronselen waren. Zo hebben de Dolle Mina’s heel veel voor de bekendheid van het feminisme gedaan, waarschijnlijk meer dan het beschaafde MVM (ManVrouwMaatschappij) van Joke Smit. Maar die heeft op haar beurt weer de intellectuele basis gelegd voor de vrouwenstrijd. Dolle Mina heeft de vrouwenemancipatie aan de man gebracht, om zo te zeggen. Na verloop van tijd konden die zich terugtrekken en toen werd de denktank juist heel erg belangrijk. Maar ze moeten er beide zijn. Jullie zijn bezig met een onderwerp dat vooral ouderen aangaat, maar niet alleen. Dus voor actie moet je dertigers, veertigers of misschien nog wel jongeren bereid vinden om het Malieveld op te gaan. Met stokken en rollators demonstreren is een beetje sneu. Zelf heb ik nooit gedemonstreerd, maar ik heb er verhalen, columns en interviews over geschreven. Je moet in een beweging altijd mensen van verschillende pluimage hebben. Zo moet je er ook mensen bij hebben die het goed doen op de tv en in de media. Die daar kunnen optreden met een goede tekst, met humor. O, o, o wat is dat belangrijk om relativerend te zijn, een grapje te kunnen maken, om niet gekwetst te zijn als iemand er iets geks over zegt. Een goed uithangbord is cruciaal. Sommige mensen hebben al die goede eigenschappen van zichzelf en als je geluk hebt, horen die nou net bij je organisatie. Het hoeven geen André van Duinen te zijn, alhoewel dat wel leuk zou zijn. Ik moest ook altijd opdraven op tv als er weer wat te melden was over vrouwen. Waarschijnlijk dachten ze: ‘Laat haar maar komen, want met haar kun je nog wel lachen’. En dat is dan prettig dat je niet alleen maar van die onbewogen koppen hebt. Dat je mensen hebt die staan voor de strijd en die er ook echt heel erg mee begaan zijn. Die het naar buiten toe kunnen uitdragen en dat ook durven. Dat is niet iedereen gegeven.’

Hebt u ook sympathie voor de initiatiefwet Waardig Levenseinde van Pia Dijkstra?

‘Ja, die is prima natuurlijk want die ligt in het verlengde van de euthanasiegedachte. Alleen is die leeftijdsbegrenzing van 75 jaar wel gek want je kunt ook een waardig levenseinde willen als je 35 bent. Al hoop je natuurlijk dat jongeren op die leeftijd nog met therapieën te genezen zijn. Het is vreemd dat men bang is om dit toe te staan. Zo ging het vroeger ook met abortus. Als je abortus legaliseerde, o, o, o dan ging elke vrouw zich laten aborteren. Alsof abortus, of een waardig levenseinde, fijne zaken zijn. Nee, nee. Als je niet aan het leven hangt, dan zit je waarschijnlijk in een zware depressie, hopelijk is daar een goede behandeling voor. Maar als dat allemaal uitgeprobeerd is en de depressie blijft, waarom zou je zo iemand dan de mogelijkheid ontnemen om het leven te beëindigen? Als iemand dat wil, gebeurt dat toch, maar dan via een vreselijke methode.’

Back To Top