Skip to content
Word lid

Over de maatschappelijke onhoudbaarheid van wetsartikelen die 136 jaar oud zijn.

Het is 1886

In het Wetboek van Strafrecht, hoofdstuk XIX: “Misdrijven tegen het leven gericht” zijn de artikelen 293 en 294 opgenomen waarin de strafmaat voor doden op verzoek en hulp bij zelfdoding zijn vastgelegd. Dit naar aanleiding van gebeurtenissen in 1852 (zaak Slotboom) betreffende een vrouw met psychische problemen, een zekere mevrouw Keller, die zich heeft laten doden tegen betaling door de boterkopersknecht, Jan Slotboom, aan de Kalfjeslaan en in 1859 (zaak Dettemeijer) waarin een militair en zijn vriendin samen een eind aan het leven wil maken vanwege het verbod om te huwen. Zij wilden als paar naar Nederlands-Indië vertrekken, maar daarvoor werd door het ministerie van Koloniën geen toestemming verleend. Het stel drinkt gif. Bij de vrouw is het effectief, maar de man overleeft. Voor beide incidenten bestond geen afdoende wetgeving. De in 1886 tot stand gekomen wetsartikelen in het Wetboek van Strafrecht zijn tot heden van belang voor dokters die ‘doden op verzoek of hulp bij zelfdoding geven’, dus euthanasie verlenen en daarbij strafbaar zijn.

Het is 1991

De vicevoorzitter van de Hoge Raad, Huib Drion, publiceert op 19 oktober zijn essay in de NRC getiteld Het zelfgewilde einde van oude mensen. Hierin verdedigt hij de gedachte dat oude mensen een einde aan hun leven moeten kunnen maken op een voor henzelf en hun omgeving aanvaardbare manier. In zijn woorden: “Het zou oude mensen rust geven als zij over een middel zouden kunnen beschikken om op aanvaardbare wijze uit het leven te stappen op het moment dat hen dat passend voorkomt.”

En: “Wat geeft de staat het recht om het oude mensen onmogelijk te maken om op een fatsoenlijke manier een eind aan hun leven te maken.”

Het is 2022

Inmiddels is duidelijk dat een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking voorstander is van eigen regie over het levenseinde. Er is recht op zelfdoding, maar dat is een schijnrecht omdat je niet legaal aan humane middelen kunt komen. Dus gebeurt het op gruwelijke manieren, omgeven met geheimzinnigheid, heimelijke communicatie, oordeelsvorming en uitvoering.

Gesprekken hierover door het bestuur van de CLW met bewindslieden – eerst met minister Hugo de Jonge (CDA) en recent met minister Ernst Kuipers (D66) – worden bruusk geboycot. Bij het Openbaar Ministerie is men de weg kwijt en wordt de vervolging en handhaving gevoed door traditionele christelijke waarden, zoals die golden bij het ontstaan van de artikelen 293 en 294 in 1886. Alsof er geen veranderingen in de samenleving hebben plaatsgehad en alsof de christelijke onverdraagzaamheid zijn failliet niet allang heeft bewezen. De handhaving richt zich met veel overgave op het 136 jaar oude wetsartikel terwijl de werkelijke problemen blijven liggen door gebrek aan visie en gerichte personele inzet. Zo beschouwd maakt het niet uit of de terreur komt uit de hoek van orthodox-christenen of de taliban. Beide gaan uit van onverdraagzaamheid en het opleggen van de eigen opvattingen aan alle anderen. De beoogd nieuwe voorzitter van de CLW, Frits Spangenberg, sprak in dit verband over de ‘talibanisering’ van de instituties: onze diep gekoesterde scheiding van machten (wetgevend, uitvoerend en rechtsprekend) wordt ondermijnd wanneer een fundamenteel gelovige zijn of haar levensvisie een rol laat spelen.

De leden van de Coöperatie Laatste Wil laten weten dat zij dit niet lijdzaam laten gebeuren, daarvoor zijn ze teveel opgegroeid met de idealen van de jaren ’60 en ’70. Waar machtswellust de boventoon voert en stokpaardjes worden bereden, kan worden verwacht dat burgerlijke ongehoorzaamheid en in ieder geval acties in het verschiet kunnen liggen. Die acties zullen er niet vanuit gaan dat christenen moeten doen wat wij willen. Wij hebben respect voor hun idealen zoals we dat van hen ook verwachten.

Back To Top